‘Desi, Desi, ga buurman Vonk halen, snel, het begint!’ Zodra deze woorden uit het huis aan de overkant schallen, weet ik hoe laat het is: voetbal kijken bij de buren Meulman, in onze straat de eerste familie met een televisietoestel. Om precies te zijn betekent het dat mijn vader en buurman Meulman voor de televisie zitten en dat wij, de kinderen, buiten een potje voetballen. Eigenlijk ben ik te jong om mee te doen, en een meisje bovendien. Desi en Patty Meulman zijn ook meisjes, maar zij zijn stoer: Desi klimt in bomen en Patty kan sneller en strakker dan wie dan ook pijltjes draaien van stroken krantenpapier. Ook al kan ik dat allemaal niet, Nol Meulman, boezemvriend van mijn broer Benno, neemt me in bescherming en van hem mag ik altijd meedoen. Nol is de mooiste jongen die ik ooit heb gezien, behalve dan misschien zijn broer Roy, maar die zit al bij de marine.

Wist ik veel dat mijn ouders de buren Meulman destijds, ongeveer een week nadat ze tegenover ons waren komen wonen, voor de koffie hadden uitgenodigd. Dat het gesprek het eerste halfuur keurig over koetjes en kalfjes ging, over het gedoe van zo’n verhuizing en op welke school de kinderen zaten, totdat mijn vader vroeg waar in Indië ze vandaan kwamen. Dat buurman Meulman toen zei dat ze uit Garoet kwamen en dat mijn vader antwoordde dat hij ook op Java was geweest en dat hij Garoet toevallig heel goed kende. Dat het toen verder voornamelijk over de prachtige natuur ging, over de regenwouden en de sawa’s, de rijstvogels en de honingzuigers, de kantinekaketoe en de pelotonsaap. Dat buurman Meulman vanaf dat moment mijn vader liet roepen als er voetbal op tv was.

Helemaal bezweet liggen we met ons vijven in het gras bij de konijnenhokken. Dat is nog iets wat de Meulmans hebben en wij niet: konijnen, drie hele dikke. Uit verveling duwen we zo nu en dan wat plukken gras en paardenbloembladeren tussen de spijlen door. De grote gele konijnentanden happen toe. ’s Nachts droom ik soms van bebloede vingers die los in het stro in de hokken liggen. Omdat we ons zo warm gespeeld hebben en omdat er voetbal op televisie is, mogen we binnenkomen. Binnen is het prachtig. Er staan palmen in grote stenen potten, er zijn bamboe kooitjes met kanaries erin, er hangen grote olieverfschilderijen aan de muren, van smeulende vulkanen aan verre horizonten en van vrouwen met grote rieten hoeden op die in de rijstvelden werken. Maar het mooiste en spannendste van alles staat op het glanzend gelakte dressoir onder het schilderij met de vulkaan: een levensechte, geschubde kaaiman met gemene gele ogen en een doodstille zwiepstaart.

Wist ik veel dat buurman Meulman bij het KNIL had gediend en in Garoet gelegerd was geweest. Dat hij tijdens de Japanse invasie krijgsgevangen was gemaakt en tot enkele maanden na de capitulatie van de Japanners in verschillende kampen had gezeten. Dat hij, nauwelijks hersteld van deze aanslag op zijn gezondheid en kracht, vanaf 1945 weer werd ingezet als KNIL-militair in de koloniale oorlog tussen Nederland en de in augustus uitgeroepen republiek Indonesië. Dat hij na de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië en het opheffen van het KNIL als dank voor de bewezen diensten werd gedemobiliseerd en over de jaren waarin hij krijgsgevangen was geweest geen salaris kreeg uitbetaald. Dat hij bij het inleveren van zijn uniform tegen de dienstdoende soldaat opmerkte dat de stof waarvan die uniformen werden gemaakt ook wel ‘garoetstof’ werd genoemd. Dat hij met zijn als door een wonder tijdens de Bersiap gespaard gebleven jonge gezin de overtocht naar Nederland maakte, waar op de kade niemand op hen stond te wachten.

Mijn broer is kind aan huis bij de Meulmans, maar voor mij blijft het huis aan de overkant van een toverachtige geheimzinnigheid, omdat er niemand van mijn leeftijd is om mee te spelen. Een van de weinige andere gelegenheden, naast de voetbalmiddagen, waarbij ik dit mysterie mag betreden, is op oudejaarsavond. Dat is de enige avond dat Roy ook thuis is, die zit verder het hele jaar op zee. Op de middag van oudejaarsdag komt hij aanlopen over het grindpad, in zijn gesteven marineuniform met de gouden knopen en de grote pet, de plunjezak stoer over een schouder. Daarin zit, zo weet ik, een lading siervuurwerk en als klap op de vuurpijl tientallen lichtkogels die voor mijn gevoel urenlang in de nachtlucht boven ons blijven hangen: SOS. Als eindelijk de laatste vuurrode bol is uitgedoofd, wordt de wereld weer ondoordringbaar donker, op één klein lampje na: in de vensterbank van de familie Meulman brandt elke nacht een zacht-groen licht. Ik kijk ernaar tussen de vitrages door terwijl ik mijn pyjama met het hertje erop aantrek, die op de gaskachel met de micaruitjes is voorverwarmd. Ik kan gerust gaan slapen, de boze geesten zullen aan onze straat voorbijgaan.

Wist ik veel dat mijn vader in 1946 als oorlogsvrijwilliger naar Indië was vertrokken. Dat hij na bijna een jaar god weet wat meegemaakt te hebben, in elk geval de eerste politionele actie, onenigheid kreeg met een meerdere die hem niet lag. Dat hij op een dag, na een volgens hem onverstandig en onredelijk bevel, gewoon had gezegd: ‘Ik verdom het.’ Dat hij in Garoet voor de Krijgsraad moest verschijnen, waar niemand echt luisterde toen hij zijn kant van het verhaal vertelde, zodat hij binnen tien minuten was veroordeeld tot een gevangenisstraf van anderhalf jaar. Dat het toen nog een jaar heeft geduurd voordat hij in het ruim van de Groote Beer terugging naar Nederland, waar hij gevangen werd gezet in Fort Spijkerboor. Dat bij zijn thuiskomst mijn opa de vlag had uitgehangen, omdat voor alle andere jongens uit het dorp ook de vlag was uitgegaan toen ze terugkwamen. Dat mijn vader deed alsof hij dat niet zag terwijl hij zijn gezicht verborg in het haar van zijn moeder, mijn oma Froukje.

Aan het eind van de middag wacht ons nog het hoogtepunt. Dan verschijnt buurvrouw Meulman met een blad met vijf stukken groen-bruin gelaagde spekkoek en vijf hoge glazen met daarin een heel bijzonder drankje: groene ranja. Mijn broer en ik drinken alleen maar oranje ranja: thuis op zondag met een rood-gestreept rietje, op schoolreisje uit een melkbus waardoor het naar metaal smaakt, en voordat we lang op reis gaan in de zomervakantie moeten we vieze gele pilletjes tegen reisziekte slikken, gecamoufleerd door de mierzoete sinaasappellimonade. Dat gaat nooit in één keer goed, zodat de bittere tabletjes half oplossen op je tong. In al die gevallen is de ranja oranje.

Wist ik veel dat sommige woorden niet precies betekenen wat ze in het dagelijks gebruik aanduiden. Dat echte mysteries over heel andere dingen gaan dan smeulende vulkanen en opgezette kaaimannen. Dat limonade van granaatappel per definitie rood is.

Groene ranja krijgen we alleen op die bijzondere middagen bij de familie Meulman, met zomaar erbij de alles goedmakende glimlach van buurvrouw Meulman, en het prachtige, oerwoudkleurige woord dat ze ervoor gebruikt: grenadine.

Geef een reactie

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten