Gouden Komkommer

Het was mijn eerste echte baan, een betrekking als corrector bij wat toen nog de Friese Pers Courantengroep heette. Bij indiensttreding werd je verteld dat het verplicht was lid te worden van een grafische vakbond. Nu kwam ik uit een vakbondsnest en was ik toch al van plan lid te worden van een vakbond, en gezien de ook destijds gierende jeugdwerkloosheid stelde ik überhaupt niet al te veel vragen bij mijn eerste baan. Het Groot-Brittannië van Thatcher, waar je eerder geen werk kon krijgen als je wél lid was van een vakbond, dát was pas erg. Het duurde dus een flink aantal jaren voordat ik vragen begon te stellen bij deze omgekeerde intimidatie, vooral toen bij de eerste reorganisaties bleek dat het niet altijd even helder was aan wiens kant de vakbond eigenlijk stond.

Maar eind jaren tachtig, begin jaren negentig was de reorganisatiewoede nog lang niet zo hoog opgelopen als tien jaar later. Het was nog mogelijk een leven lang bij dezelfde werkgever te werken en zeker bij de Friese Pers, destijds nog een bedrijf met een soort familiegevoel, kwam dat vrij regelmatig voor. Van het idee alleen al kreeg ik het benauwd, maar mijn collega’s lachten me vierkant uit als ik zei dat ik nog wel eens wat anders zou willen. Afgezien van de hectiek die meerdere deadlines per dag met zich meebrachten, kabbelde het werkende leven rustig voort. De koffieautomaat werkte op dubbeltjes, waarvoor je een bedrag per maand met je salaris mee teruggestort kreeg: het zogenaamde koffiegeld.

Op mijn eerste werkdag leerde ik, naast het gebruiken van de koffieautomaat (zeer essentieel), ook het werken met correctietekens en met een cicerolat. Beide gaven me het gevoel een heus ambacht te leren. Dit werd nog versterkt door de als mini-museum bedoelde letterbak op de gang, waardoor zelfs de tijd van het loodzetsel, toen je van corrigeren nog zwarte handen kreeg, niet als ver verleden tijd voelde. In deze omgeving leek de buizenpost, een buizenstelsel waardoor met behulp van luchtdruk de mapjes met kopij door het hele gebouw werden vervoerd, een technisch hoogstandje en een wonder van innovatie.

Het duurde een poosje voordat ik in de gaten had dat corrector een beroep was waar je je niet erg geliefd mee maakte, dat mijn collega’s en ik helemaal niet werden gezien als redders in taalkundige nood, hoeders van het spellingserfgoed, maar voornamelijk als een stelletje vervelende mierenneukers die moedwillig het hele proces van kranten maken in de eindfase ophielden, alleen om de collega’s van pre-press en drukkerij te pesten. ‘De klootzakken van de correctie’ werden we ook wel genoemd.

Deze negatieve sentimenten vonden jaarlijks hun hoogtepunt in de komkommertijd, die voor ons correctoren één groot voordeel had: als er geen werk was, kon je andere dingen lezen, te beginnen met de krant die je net gecorrigeerd had; zolang je maar stil was en de collega’s die toevallig wel even een stuk onder handen hadden niet stoorde. Als ik vroege dienst had met een eveneens leesverslaafde collega, stelden we een zogenaamd ‘embargo’ in. Om niet elke tien minuten gestoord te worden voor een klein stukje kopij, lazen we net zolang door tot er genoeg werk lag om een halfuur achter elkaar door te kunnen werken, en dan weer ongestoord een halfuur te kunnen lezen. In de zomerweken las ik naast het reguliere werk gemiddeld zo’n drie boeken per week, van Boelgakovs De meester en Margarita tot Canetti’s Het Martyrium, en dat zonder enig Persoonlijk Ontwikkelings Plan. Dat soort banen bestaat nu niet meer. Schande.

Het hoogtepunt van de komkommertijd was echter de toekenning van de Gouden Komkommer. De kunst was om van alle artikelen die we in die weken onder ogen kregen, datgene eruit te pikken dat unaniem verkozen zou worden tot het stuk met een absoluut, totaal gebrek aan noemenswaardige inhoud. Het viel nog niet mee om het bij één artikel te houden. Het enige wat het regelmatig omslaan van de boekpagina’s meerdere keren per dag verstoorde was de kreet: ‘Maar hier heb ik nu toch écht de absolute Gouden Komkommer!’ Waarvan akte.