De geur van hout, de smaak van paardenbloemen

Het was een zonnige zondagmiddag. Mijn allerliefste en ik liepen over de Rijnkade. Ik rook het voordat ik het zag: hout. De prikkelende, levendige, harsige, robuuste, puur en puur natuurlijke geur van hout. Aan de kade lag iets wat ik nog nooit eerder had gezien: een binnenvaartschip boordevol houtpulp. Als met een katapult werd ik teruggeschoten naar mijn vroegste kinderjaren, nog voordat ik naar de kleuterschool ging.

In die tijd werkte mijn vader als bestekschrijver bij een houthandel, schuin tegenover het huis waar we toen woonden. Daardoor kon hij tussen de middag gewoon thuis komen eten en zelfs ’s ochtends even koffiedrinken. Tussen Kleutertje Luister en koffietijd had ik net genoeg tijd om me te verstoppen achter de bank, altijd achter de bank. Ik kon mijn vader niet zien als hij de woonkamer binnenkwam, maar ik rook het altijd als hij er was, aan de geur van hout die in zijn kleren en haar bleef hangen. Heerlijk vond ik dat.

En spannend, want even later zou hij roepen: ‘Waar is Baukje toch?’, altijd. En zou mijn moeder antwoorden: ‘Geen idee, zonet was ze er nog’, altijd. Dat zou ze net zo lang volhouden tot ik gierend van de lach onder de bank vandaan kroop en me vervolgens in die naar hout geurende armen zou storten, altijd.

Punt twee op het programma was ‘Er speelde een kind op de spoorbaan’. Het begon als een verhaal dat mijn vader met de nodige, spanning opvoerende pauzes vertelde: ‘Er speelde een kind op de spoorbaan. Het was vijf voor twaalf… Het kind speelde zo zoet. Het was vier voor twaalf… In de verte was de fluit van de stoomlocomotief al te horen. Het was drie voor twaalf… De spoorwachter kwam naar buiten om de spoorbomen neer te laten. Het was twee voor twaalf… Daar kwam de trein. Het was één voor twaalf… De moeder van het kind keek door het raam van het spoorwachtershuis en gaf een gil… De klok sloeg twaalf en de spoorwachter gréééép dat kind!’ Gillen! Als ik me niet snel genoeg uit de voeten maakte greep mijn vader me bij de kladden en zwaaide me boven zijn hoofd, alsof ik een paardenbloempluisje was, zo licht.

Paardenbloemen, die groeiden in het grasveldje voor het kantoor van de houthandel, als te groot uitgevallen goudgele parasols tussen de tientallen madeliefjes, hooguit naar de kroon gestoken door de lichtpaarse pinksterbloemen. Al die bloemen mochten we plukken om bloemenkettingen van te maken. Maar bij de paardenbloemen zat er een addertje onder het gras: als je die plukte en daarna per ongeluk je duim in je mond stak, smaakte dat ontzettend bitter. Zo smaakt vergif, stelde ik me voor.

Uit de ene herinnering kwam de volgende voort. En dat alles naar aanleiding van een boot met houtpulp. Al deze beelden gleden aan mijn geestesoog voorbij in de tijd die we nodig hadden om langs de volgeladen rijnaak te lopen. Hoe lang zal het hebben geduurd: een halve minuut? Kijk, zo onhandig is taal.