De magie van het woord, hoe dan ook

Een schrijver die in het holst van de nacht op een lichtgevend scherm letters typt

In april 1989 werd het VPRO-televisieprogramma Nauwgezet en wanhopig uitgezonden, vier afleveringen van twee uur waarin Wim Kayzer niets anders doet dan vier schrijvers interviewen: Jorge Semprún, George Steiner, György Konrád en Gabriël García Márquez. Dit wordt tegenwoordig slow television genoemd, maar ik kan me niet herinneren dat die term toen al was uitgevonden, de wereld in het algemeen was toen blijkbaar nog zo langzaam dat slow niets speciaals te betekenen had. Het enige wat we zien zijn talking heads, vier mannen met een lamp erop, en toch boeit het van begin tot eind.

Het doel was min of meer de twintigste eeuw te beschrijven, te duiden en te begrijpen, hoewel die eeuw nog niet voorbij was en datzelfde jaar nog een historisch gebeuren van formaat in petto had. In april 1989 stond de Muur in Berlijn nog recht overeind, was er nog geen sprake van internet of mobiele communicatie voor iedereen, in welke vorm dan ook, en leek de eenentwintigste eeuw nog ver weg. Je kunt wel stellen dat de vier mannen, na alles wat er was gebeurd in de afgelopen eeuw en waar ze voor een belangrijk gedeelte ook deel aan hadden gehad, niet al te optimistisch waren over de toekomst en de mens in het algemeen.

Inmiddels is de eenentwintigte eeuw een aardig eind op weg en laten we zeggen: het valt niet mee. Veel mensen zijn diep teleurgesteld over het afgelopen jaar en vol bange vermoedens over het komende jaar. Hoe weinig daar eigenlijk over te zeggen valt, laten verschillende fragmenten uit deze interviews met intellectuelen van formaat zien. De wereld verandert voortdurend, maar hóe precies, dat kan eigenlijk niemand voorspellen. Natuurlijk zijn er grote lijnen te trekken, maar het venijn zit hem juist in de details. Zo betwijfelt beroepscultuurpessimist George Steiner op een gegeven moment of er bij de komende generaties nog kamers vol met boeken zullen zijn. Wat dat betreft heeft hij wel en niet gelijk gekregen. Er zijn inderdaad telkens minder huizen die een bibliotheek herbergen, en zeker niet zo’n uitgebreide als die van Steiner, maar aan de andere kant lijkt de cultuur van het papieren boek taaier dan menigeen heeft voorspeld, en daarnaast blijkt uit elke zin dat Steiner zich nog niet voor kon stellen dat zo ongeveer alles, van literatuur tot muziek, beschikbaar zou zijn in een klein apparaatje dat in vrijwel elk huis te vinden zou zijn.

Steiner: ‘Het is verre van zeker dat er in komende generaties nog kamers zullen zijn met bibliotheken als deze. Misschien wordt het weer nodig om “leeshuizen” op te richten, zoals de middeleeuwse kloosters, waar aan kleine groepen excentrieke mensen de kunst onderwezen wordt om rustig te lezen, uit het hoofd te leren, te denken zonder radio of televisie erbij, te genieten van het woord, van muziek of van een schilderij. Overigens vind ik die gedachte niet ontmoedigend. Het is ons ook erg gemakkelijk gemaakt. De Missa Solemnis uit je casetterecorder, onderweg naar de bank. Pocketboeken met de grootste en moeilijkste teksten liggen in de kiosk op het station en roepen je toe: “Lees mij, ik ben niets bijzonders.” Ik vertel graag het volgende verhaal: Tijdens een bezoek aan Nederland vond Erasmus, ’s avonds in de regen, in het slijk, een bedrukt stuk papier, de nieuwe uitvinding. Hij raapte het op en bekeek het met een kreet van verwondering. Een tekst, een woord, misschien een grote waarheid, zomaar in de nacht. Ik benijd hem. En het lijkt mij nog niet zo slecht wanneer we ons weer eens wat meer moeten inspannen voor zo’n magisch moment.’

Het ‘gemakkelijk maken’ heeft, zo lijkt het nu, met internet wel haar hoogtepunt bereikt, maar is dat per se verkeerd? Het is denk ik wel waar dat het gemak de waarde in eerste instantie vermindert, maar wil dat zeggen dat het voorgoed onmogelijk is die waarde over te brengen, tegelijkertijd met het bijzondere van het voorhanden zijn van al dat waardevolle? Was het beter toen alleen een elite haar in leer gebonden boeken kon lezen dan nu de massa pockets en/of e-books kan kopen en/of lenen? Was het beter toen alleen een elite naar De Hermitage in St. Petersburg kon afreizen terwijl nu Jan en alleman, ook Jan met de pet, een virtuele rondleiding door het museum kan krijgen? Is cultuur meer waard als het door minder mensen wordt genoten? En is belangstelling van de massa synoniem aan oppervlakkigheid? En ook al zou dat zo zijn: is oppervlakkigheid per se verkeerd?

Het is van alle tijden om te mopperen over ‘de jeugd van nu’. In 1989 hoorde ik zelf nog min of meer bij die jeugd, inmiddels verwonder ik mij er zo nu en dan ook over hoe weinig jonge mensen nog weten, al heb ik zelf ook het gevoel dat er na mijn vijfentwintigste niet zoveel kennis is bijgekomen, alleen meer levenservaring. Niets nieuws onder de zon dus. Tegelijkertijd geloof ik er niets van dat mensen minder lezen dan ooit, ik denk zelfs dat ze meer lezen dan ooit, maar wel grotendeels via beeldschermen, en ja, dat zal minder concentratie en meer oppervlakkigheid met zich meebrengen. Is dat erg? Ik weet het niet, daar zal ik in een volgend blog eens over nadenken.

Nog even terug naar het verhaal van Steiner: ik kan me heel goed voorstellen dat hij Erasmus benijdt, als die voor het eerst een stuk papier met gedrukte tekst erop vindt: het wonder van de boekdrukkunst ontvouwt zich onder zijn ogen, de magie van het gedrukte woord dat overal kan worden verspreid. Juíst omdat het kinderspel is vergeleken met internet, lijkt de magie ervan groter, net zoals bij het oprichten van ‘leeshuizen voor excentrieke mensen’: lekker elitair. Maar stel je voor: een schrijver die in het holst van de nacht op een lichtgevend scherm letters typt die vermomd als cijfers door kabels reizen over landen en oceanen en in no time de hele wereld kunnen bereiken: als dat geen magie is, wat is het dan?

Ik wens iedereen een magisch 2017 toe.