feit of fiksje?
Een woord dat iets verandert aan de werkelijkheid.

Afgelopen zomer heb ik De zevende functie van taal van Laurent Binet gelezen. Zijn vorige boek, HhhH [Himmlers hersens heten Heydrich], over de moordaanslag op nazikopstuk Heydrich in Praach in 1942, sprak mij bijzonder aan. Alle personages in dat boek hebben echt bestaan, en het is gebaseerd op diepgaand feitenonderzoek dat de ruggengraat vormt, maar ondertussen is het hele verhaal ook een geraffineerd spel met feiten en fictie. Het is niet voor niets dat er ‘roman’ op de cover staat, net als bij De zevende functie van taal. Wat me het meest aansprak was dat de lezer ook in dit boek weer volledig op het verkeerde been wordt gezet als het gaat over het onderscheid tussen feit en fictie.

Het verhaal begint op het moment dat de Franse literatuurcriticus, filosoof en linguist Roland Barthes, na een lunch met François Mitterand, slachtoffer wordt van een verkeersongeluk en daar een poosje later aan overlijdt (feit); is het een ongeluk of is het moord? (officieel is het een ongeluk, maar de ons omringende wereld geeft genoeg aanknopingspunten om in al dergelijke gevallen te twijfelen aan de interpretatie van het feit); het zou iets te maken hebben met de zogenaamde ‘zevende functie van taal’ (fictie), de nooit openbaar gemaakte aanvulling op de zes functies van taal zoals de linguist Roman Jakobson die heeft gedefinieerd (feit), en die het dichtst komt bij wat daarnaast de ‘performatieve functie’ wordt genoemd: een feit (het is een begrip dat voornamelijk in de wetenschap wordt gebruikt, kort samen te vatten als: het gesproken woord verandert iets in de werkelijkheid), maar dan wel voor het karretje van de fictie gespannen (want nooit neergezet als het vermogen om wie dan ook, hoe en waar dan ook, van wat dan ook te overtuigen met woorden, zoals de functie wordt neergezet in het boek).

Het feit dat ik Wikipedia gebruik om in zo kort mogelijk bestek weer te geven wat de zes functies van taal zijn, brengt ook alweer een enigszins twijfelachtige bron en dus een flintertje fictie in het geheel. Want: kun je eigenlijk wel vertrouwen op een encyclopedie die ontstaat uit de wisdom of the crowds, of is werkelijke wisdom alleen te vinden in de officiële wetenschap, terwijl steeds meer wetenschappers zelf concluderen dat resultaten van wetenschappelijk onderzoek voor een groot deel worden beïnvloed door zowel de onderzoeker als de omstandigheden waaronder het onderzoek wordt uitgevoerd, en dus bijna geen objectieve waarde kunnen hebben, en er in de grote boze buitenwereld zelfs mensen zijn die geloven dat de wetenschap zelf ook een geloof is?

Zijn jullie er nog?

Misschien zijn dergelijke dingen wel leuker om te schrijven dan om te lezen: het zonder voorbehoud volgen van je eigen gedachtekronkels, zonder de noodzaak te voelen van een logisch verband en met een absoluut vertrouwen in het analogische verband. Terug naar het boek: de scène waarin de schrijver Philippe Sollers een debat verliest doordat hij zichzelf volledig verliest in een niet meer te volgen woordenbrij van een hoogstpersoonlijke analogische redenering, wordt in eerste instantie aangedragen als het bewijs van het niet bestaan van de zevende functie van taal. Dit wordt later in het boek natuurlijk weer onderuit gehaald.

Onder het lezen kon ik het zo nu en dan niet laten om toch even op internet (ja, heel vaak op Wikipedia) op te zoeken of ik op dat moment in het boek te maken had met feiten of fictie, en of mijn inschatting daarvan goed of fout was. Neem maar van me aan: lang niet altijd goed ingeschat, al was het maar omdat elke combinatie van feit en fictie mogelijk is:

– persoon bestaat, feit (gebeurtenis, omstandigheden etc.) ook

– persoon bestaat niet, feit ook niet

– persoon bestaat, feit niet

– persoon bestaat niet, feit wel

– persoon bestaat, feit ook, maar niet in deze combinatie

– persoon bestaat, feit ook, maar niet in dezelfde tijd

Et cetera (stel je alleen maar even voor hoeveel combinaties er mogelijk zijn)!

Om er een paar concrete voorbeelden bij te noemen: in het boek komt de tennismatch Borg-Lendl voor, Roland-Garros, de finale van 1981 (feit). Wat niemand voor mogelijk houdt gebeurt toch: Ivan Lendl wint (fictie). Deze match kan in het boek gezien worden als een vergelijking met de verkiezingsstrijd tussen Giscard d’Estaing en Mitterand in 1981, een belangrijke scène. Mitterand werd in 1981 president (feit), maar is het ook waar dat hij op dat moment (net als Lendl) de meest onwaarschijnlijke winnaar was die (anders dan Lendl in de werkelijkheid) toch won? En was dat te danken aan zijn verbale overmacht tijdens het verkiezingsdebat?[1] Met andere woorden: was hij op dat moment in het bezit van de zevende functie van taal (fictie), mocht die toch bestaan (feit?), maar is het, anders dan in het boek, niet helemaal gelukt die geheim te houden (feit, of toch fictie)?

Ik bedoel maar: de werkelijkheid is vaak fantastischer dan fictie, maar het zijn de eindeloze mogelijkheden van fictie (verbeelding door verwoording) die ons daarvan bewust kunnen maken. Maar wacht eens, of zou dát misschien …?

 

[1] Speciaal voor dit blogje heb ik dat debat even teruggezocht op YouTube. Het duurt bijna tweeënhalf uur en mijn Frans is niet zo geweldig dat ik er chocola van kan maken, dus ik durf het niet met zekerheid te zeggen, maar als ik kijk naar lichaamstaal, intonatie en (afschrikwekkend modewoord, maar vooruit maar) passie, wat volgens mij toch op z’n minst deel van die zevende functie uit zou moeten maken, dan zou ik zeggen: wees maar gerust, hij bestaat niet, de zevende functie van taal.

Geef een reactie

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten