Duet

22-04-2015

Duet

Mijn vader is dood. Gecrepeerd in een tropisch regenwoud op Java, zal hij wel hebben gedacht, maar in werkelijkheid lag hij in een ziekenhuisbed in Nederland. Nachtmerries had hij op het laatst, vooral over Indië. De verhalen die hij daar vroeger over vertelde herinner ik me goed, maar belevenissen waar je nachtmerries van krijgt, daar had hij het nooit over. Nu pas komen de vragen: wat heeft hij daar eigenlijk meegemaakt?, en vooral: wat heeft hij allemaal níet verteld?

Wonderlijk is dit. Van alles had ik verwacht: stralend licht, jubelende bazuinen, velden vol pinksterbloemen, maar niet dit niet-zijn. Dus dit is wat er over is van Simon Vonk. In elk geval zijn die dromen gestopt. Mijn leven lang had ik nergens last van, tot ik in dat verrekte ziekenhuis terechtkwam. Maar nu ik toch een eeuwigheid de tijd heb, kan ik eindelijk wat dingen op een rijtje zetten.

Na veel speurwerk heb ik enkele aanwijzingen gevonden die een bezoek aan het Nationaal Archief de moeite waard maken. Buiten is het 30 °C, binnen staan twaalf archiefdozen op me te wachten. De mannen achter de balie zijn er niet helemaal bij, er hangt een opgewonden sfeer en om de haverklap verdwijnt een van de drie naar achteren. Ondertussen materialiseert de geschiedenis zich voor mijn ogen: verordeningen, dagrapporten, gebiedskaarten en gevechtsverslagen, alles vergeeld en bros. Het meeste gaat inderdaad over het regiment waar mijn vader deel van uitmaakte, maar in eerste instantie voel ik me vooral moedeloos: zo veel details en zo weinig verhaal. Dan valt mijn oog op het handschrift van mijn vader, zo vertrouwd als mijn eigen achternaam.

November '46 meerde de Indrapoera aan in Tandjong Priok, de haven van Batavia. De eerste keer dat ik die geur opsnoof van warme vochtigheid en kruidnagel, van woekerend groen en kreteks. Negen maanden later, na de eerste politionele actie, waren onze visioenen ─ wij als bevrijders, rijdend op tanks en sigaretten uitdelend aan een juichende bevolking ─ definitief vervlogen. Maar het duurde nog maanden voordat er iets gebeurde dat… Soms is het opeens genoeg.

Toen mijn vader deze patrouilleverslagen schreef, kende hij mijn moeder nog niet eens en was ik zelfs nog geen beginnetje van een embryo, maar zijn handschrift was al precies hetzelfde als twintig jaar later, toen hij mijn geboorteakte tekende. Nu zie ik een jochie van twintig voor me, zwetend boven een vel papier, dat onder 'Bijzondere vermeldingen' vinnig rapporteert: 'Wederom is gebleken dat nachtpatrouilles weinig resultaat hebben zonder sluipschoenen. Het is onmogelijk onhoorbaar te lopen op veldschoenen.' Anderhalf jaar later pas arriveerden de eerste sluipschoenen op Java.

Het ging om een mannetje dat we al eerder te pakken hadden gehad, maar toen weigerde hij iets te vertellen, dus moesten we hem weer laten gaan. Het was ook niet altijd even gemakkelijk om het verschil te zien tussen een soldaat van het Indonesische leger en een gewone kampongbewoner. Later bleek hij bij een groep te horen die een van onze nachtpatrouilles onder vuur had genomen. Onder anderen mijn maat Steven is... Dus toen wij deze rampokker nog eens tegen het lijf liepen was het 'meekomen' natuurlijk.

Tussen de laatste vier dozen op mijn tafel ontwaar ik een doos met nummer 254. Wat was ook alweer het antwoord op mijn aanvraag? 'De dozen staan voor u klaar op de dag van uw bezoek, met uitzondering van het door u aangevraagde nummer 254, dat niet openbaar en derhalve niet te raadplegen is.' Ik voel me bespied, al zijn nu alle drie de mannen even naar achteren verdwenen. Ik hoor een gedempt gejuich. De doos bevat vonnissen van de Krijgsraad, waaronder een Conclusie van Eis tegen korporaal S. Vonk. Razendsnel scan ik de tekst: '… verklaarde Jonker dat hij op een gegeven moment tijdens deze actie het bevel "volgen" gaf, aan welk bevel Vonk geen gevolg gaf, waarop Jonker erop wees dat hij zich voor de Krijgsraad zou moeten verantwoorden, waarop Vonk zei: "Ik verdom het!".' En uiteindelijk: 'Rechtdoende veroordeelt beklaagde tot een gevangenisstraf voor de tijd van een jaar en zes maanden.' In naam der koningin.

We waren nog een kilometer of vijf van het kampement, toen luitenant Jonker het bevel gaf. Eerst dacht ik dat ik het verkeerd had verstaan, dit was toch echt niet volgens de Conventie van Genève. Bovendien had ik die Jonker toch al nooit zo hoog, die liet het liefst zijn minderen de kastanjes uit het vuur halen, dus ik weigerde. Maar wat zegt de luit? 'Vonk, jij wisselt je geweer met de bren van De Jong'. Dus wij wisselen, en Jonker zegt tegen De Jong: 'Je weet wat je te doen staat.' Ondertussen staat dat mannetje erbij, verstaat er niks van natuurlijk maar wordt wel wat onrustig. Jonker knikt hem vriendelijk toe, zegt: 'Jalan, jalan,', lopen in het Maleis, en daar gaat hij. Op dat moment beveelt Jonker: 'Nu,' en De Jong haalt de trekker over. Wij hebben dat mannetje daar in een greppel achtergelaten. Nooit meer iets van gehoord. Een week later heeft Jonker me flink te grazen genomen, in verband met een heel ander akkefietje, te onbenullig voor woorden, maar dat kwam wel voor de Krijgsraad.

Dichterbij dan het stiekem gefotografeerde vonnis en de legaal gekopieerde patrouilleverslagen in mijn tas kan de geschiedenis niet komen. In de stationshal is het zo druk dat ik mijn trein mis. Er staat een megascherm opgesteld waar iedereen zich voor verdringt: wereldkampioenschap voetbal, Nederland-Brazilië.

Zo gaat dat met bevelweigeraars. Wij worden bij voorkeur weggestopt in de archiefdozen van het nationaal geheugen. Maar al zetten ze ons achter op de hoogste plank, wij zijn er nog altijd. In de herinneringen van onze dierbaren, in de dromen van onze kameraden, in de stroom van het collectieve onderbewustzijn. Het is dat het hier zo onstoffelijk is, anders zou ik met mijn beide linkerhanden een kantine voor ons bouwen, met een biljart en heel veel zachte banken om in weg te zakken, genoeg voor alle weigeraars. En dan een pilsje erbij, en eindelijk goeie sluipschoenen voor in de nacht.